Toespraak

13-02-2012

Toespraak Vereniging voor Internationale Relaties "Anders"

13 februari 2012, Brussel


--- Enkel het gesproken woord telt ---

 

Toespraak Minister van Landsverdediging Pieter De Crem

VIRA – Vereniging voor Internationale Relaties ‘Anders’

13 februari 2012

 

“Een klein land in grote vredesoperaties”

 

Generaals, Admiraals,

Excellenties,

Professoren,

Dames en Heren in uw respectievelijke titels en hoedanigheden,

 

U gooit me volgende titel voor de voeten “Een klein land in grote vredesoperaties”. Ik hoop dat u op het einde van deze toespraak overtuigd bent dat deze titel moet genuanceerd worden.

 

Vooreerst zou een Belg geen Belg zijn moest hij niet bescheiden staan tegenover de rol die hij speelt in de wereld.

 

We zijn een land met 11 miljoen inwoners, wat ons in de Europese middenmoot plaatst. België is niet zo groot qua oppervlakte, maar we huisvesten wel tal van internationale instellingen. In de rangschikking van landen volgens Bruto Nationaal Product schommelen we rond de 20ste plaats.

 

Ik kan zo nog wel even doorgaan, maar denk dat ik mijn punt ondertussen duidelijk heb gemaakt. Moeten we België effectief bij de kleine landen rekenen? Een voormalig Premier van dit land hoorde liever spreken van een middelgroot land. Ik zal u in mijn betoog trachten te overtuigen dat deze kwalificatie zeker opgaat wat de militaire operaties betreft.

 

Ons land kan en mag op internationaal vlak niet achterwege blijven. Dit was voor mij sinds het begin het kernidee, de weg die ik met Defensie wilde inslaan. Om dit te bereiken waren er echter veranderingen nodig, grondige veranderingen. Staatssecretaris Maggie De Block heeft het vaak over de “erfenis van het verleden” die weegt op haar beleid.

 

Nu, ik kan u verzekeren dat ik bij mijn aankomst op Defensie in 2007 eveneens te kampen kreeg met een zware erfenis uit het verleden.

 

Mijn korte termijndoelstellingen bij mijn aankomst hadden alles te doen met de relatieve beperktheid en ondoelmatige aanwending van de aanwezige middelen, het herstellen van een budgettair evenwicht, de nood aan een grondige vermindering van het personeelsaantal, het terugdringen van de achterstallige betalingen uit het verleden en de nodige budgettaire middelen vrijmaken voor investeringen.

 

Toen ik in december 2007 de leiding kreeg over Defensie telde het Departement nog 42.000 personeelsleden. Een te groot deel van ons budget ging naar de personeelskosten. De bezettingsgraad van talrijke kwartieren en kazernes was onvoldoende, het onderhoud ervan te duur. Een groot deel ervan werd enkel nog opengehouden als symptoom van een werkgelegenheidsmachine.

 

Als Minister kon ik deze situatie niet dulden! Mijn transformatieplan heeft tijdens de afgelopen jaren grondige wijzigingen aangebracht in de structuur van onze Strijdkrachten.

 

Ik heb het personeelsaantal teruggebracht naar 34.000 begin dit jaar. Een jaar eerder trouwens dan initieel voorzien. En we gaan verder, tegen eind 2014 telt Defensie nog 30.000 militairen en 2.000 burgers.

 

De afslanking ging gepaard met de sluiting van een aantal kwartieren en kazernes (23 van de 79), waarbij de nodige aandacht uitging naar sociale begeleidingsmaatregelen.

 

Dames en Heren,

 

U denkt misschien: “Hoe kan dat nu, het leger een grotere rol laten spelen op internationaal vlak door het in te krimpen?”

 

Dit is echter de enige mogelijke oplossing. We zijn steeds, ook tijdens de transformatie van de Strijdkrachten, de nodige aandacht blijven besteden aan de verjonging van het personeel. Dit jaar zijn er 1.500 openstaande plaatsen bij Defensie, meer zelfs dan het gemiddelde van de voorbije vijf jaren. Ook de Vrijwillige Militaire Legerdienst situeert zich binnen de inspanningen om op korte termijn de leeftijdspiramide gezond te maken.

 

Een kleiner leger weliswaar, maar wel een jonger en een fitter.

 

Minder personeel maakt dat er meer budgettaire middelen vrijkomen om te investeren in materiaal en operaties. Het is dankzij de transformatie van Defensie dat we in deze tijd van besparingen toch nog investeringsplannen van relatief beperkte omvang kunnen uitvoeren die schommelen rond de 100 miljoen euro per jaar.

 

Deze korte legislatuur van amper 30 maanden zal echter niet toelaten om de grote investeringsdossiers aan te pakken: de opvolging van onze F-16 gevechtsvliegtuigen, fregatten en mijnenbestrijdingsmiddelen van de Marine ( de zogenaamde mijnenjagers- en mijnenvegers). Deze grote aankopen zijn cruciaal voor het overleven van Defensie op lange termijn, dus vangen we in ieder geval al aan met de studie omtrent de opvolging en vervanging.

 

Defensie heeft ruimschoots bijgedragen aan de verschillende besparingsrondes die ons land heeft doorgevoerd. Gedurende vijf opeenvolgende jaren is er 800 miljoen euro bespaard.

Ik wens geen verdere kazernes meer te sluiten, maar sluit niet uit (what’s in a word) dat we hiertoe verplicht worden door eventuele bijkomende besparingen die men het Departement oplegt bij de budgettaire controle eind februari.

 

Ondanks minder financiële middelen heeft Defensie de voorbije jaren ook haar schuldenlast met de helft kunnen terugdringen. (van 2,1 miljard euro naar 1 miljard euro vandaag) We moeten komaf maken met deze erfenis uit het verleden om klaar te zijn voor de toekomst.

 

Al deze ingrepen waren absoluut noodzakelijk om het hoofddoel te kunnen verwezenlijken: meer doen met minder middelen.

 

Dames en Heren,

 

Voor mij is en blijft het sleutelwoord bij Defensie: de operaties.

 

Zoals gezegd bij aanvang van mijn lezing kan België zich niet wegsteken op internationaal vlak door zichzelf te verschuilen achter de noemer van “klein land”. We hebben een aanzienlijke impact op de wereldpolitiek.

 

Ik heb dan ook steeds gewaakt over het garanderen van een substantiële en permanente deelname van Belgische militairen aan de belangrijkste operaties voor vrede en veiligheid in de wereld. Tijdens deze legislatuur zal België op permanente basis een 1000-tal militairen in operatie hebben. Daarnaast houden we voldoende personeel en middelen vrij voor een eventuele bijkomende onverwachte militaire operatie, zoals Libië in 2011.

 

Het belangrijkste aspect is echter niet zozeer onze kwantitatieve deelname aan buitenlandse operaties. Ik heb er vooral over gewaakt dat het spectrum van onze activiteiten werd uitgebreid. De Belgische militairen moeten doen waarvoor ze opgeleid en uitgerust zijn, mijn aandacht gaat uit naar de kwaliteit die we brengen.

 

Onze rol in het Libische conflict is kenmerkend voor deze nieuwe manier van denken en handelen!

 

De Arabische Lente kwam eerder onverwacht en met een niet te voorspellen impact. Ons land besliste om deel te nemen aan de internationale coalitie die moest toezien op de uitvoering van VN-resolutie 1973. Het besluitvormingsproces verliep op een wel bijzondere manier, onder een regering van lopende zaken. Dit leverde de nodige praktische moeilijkheden op, maar toch slaagde België erin om een krachtig en snel signaal te geven toen wijlen Kolonel Kadhafi geweld gebruikte tegenover zijn eigen bevolking.

 

Voor onze militairen die zich op een trainingsmissie bevonden in het Middellandse Zeegebied werd het snel realiteit. De militaire leuze “Train as you fight, fight as you train” was zelden beter van toepassing.

 

Het zou natuurlijk te eenvoudig zijn om als Minister van Defensie te stellen dat onze deelname aan het internationale optreden in Libië een succes was. Dat laat ik over aan anderen.

 

In de internationale pers had men woorden van lof over voor de Belgen. De Financial Times sprak over “The Libyan War and the Gallant Belgians”. Onze internationale bondgenoten waren onder de indruk van de rol die een aantal kleinere landen (nu zeggen we het weer, middelgrote landen!) speelden in het conflict, in het bijzonder van die van de Belgen.

En dames en heren,

 

De positieve appreciatie is op haar plaats. Onze piloten voerden 626 zendingen uit boven Libië met een totaal van 2553 vlieguren. Meer dan een derde hiervan gebeurde bij nacht. Op alle cruciale momenten hingen er Belgische F-16 jachtvliegtuigen in de lucht. In totaal werden er 473 bombardementen uitgevoerd met gps- en lasergestuurde bommen. 97 % hiervan trof doel, bij geen enkele interventie kwam er melding van ongewenste schade, zogenaamde collateral damage.

 

Met deze deelname bewezen we dat we snel, krachtig en precies kunnen handelen. En een belangrijke rol kunnen spelen in een grootschalige militaire operatie.

 

Toch blijft waakzaamheid geboden. De Arabische Lente ging over in de Arabische Zomer, Herfst en Winter. Ondertussen zijn we meer dan een jaar verder en de toestand in de meeste Arabische landen is nog steeds onstabiel. We hebben onze militaire rol in Libië gespeeld, met succes. Het is nu echter aan andere departementen en in de eerste plaats aan de nieuwe machthebbers om aan de heropbouw van een stabiele democratische staat te beginnen. Met enkel militaire middelen kunnen we dit niet doen. Oplossingen voor conflicten zijn nooit alleen militair. Enkel Civilo-militaire oplossingen kunnen helpen!

 

Wat ik wel onthoud uit onze deelname aan dit conflict en waaraan ik als minister van Defensie het meest belang hecht is dat we een militaire actie, in oorlogsomstandigheden, tot een goed einde kunnen brengen.

 

Dit is het resultaat van de nieuwe koers die Defensie is ingeslagen. We leveren niet enkel een ondersteunende rol bij operaties. Neen, we bevinden ons daar waar het conflict wordt beslist. En we nemen een offensieve houding aan wanneer dit nodig is. Dit is de ingesteldheid waarmee ik de volgende jaren wil verder gaan. Dit is ook de ingesteldheid die op nationaal en internationaal vlak van ons verwacht wordt.

 

Een professioneler, beter uitgerust, beter opgeleid leger. Dit, dames en heren, is Defensie vandaag de dag. Hierdoor geniet ons land opnieuw van een sterke internationale erkenning van ons werk onder de vlag van de Europese Unie, de NAVO of de Verenigde Naties.

De grootste militaire vredesoperatie is zonder twijfel nog altijd deze in Afghanistan. De International Security and Assistance Force, ISAF, is de grootste NAVO-operatie en de eerste operatie van dergelijke omvang die wordt gevoerd buiten het Europese grondgebied. In totaal zijn er ongeveer 132.000 soldaten ontplooid, komende uit 48 landen, waaronder ook vele niet NAVO-landen.

 

De vredesmacht werd opgericht eind 2001 naar aanleiding van de Conferentie van Bonn om de Afghaanse autoriteiten bij te staan in de heropbouw van het land. Sinds het begin nemen Belgische militairen deel aan de operatie, ondertussen al 10 jaar. Dit blijft met voorsprong onze belangrijkste militaire operatie, en dat zal tot minstens 2014 zo blijven.

 

De laatste jaren is ons takenpakket binnen ISAF sterk uitgebreid. Van een eerder passieve bewakingsopdracht op Kaboel airport zijn we geëvolueerd naar een actieve bijdrage in Kunduz en Kandahar. Dit werd uitermate geapprecieerd door onze bondgenoten, die eveneens een actieve rol op zich nemen. Uiteraard brengt dit meer risico’s met zich mee, onze militairen zijn zich daar echter van bewust en worden hiervoor ook getraind. Tijdens gesprekken met militairen op het terrein merk ik vaak hun positieve houding tegenover deze nieuwe opdrachten.

 

In het noorden van het land, in Kunduz, leveren we een bijdrage aan het Provinciale Reconstructie Team. Op dezelfde plaats hebben we militairen die een Afghaans bataljon en een Afghaanse brigadestaf opleiden en daarvoor mee op het terrein gaan. Ook in Mazar-e-Sharif en Kaboel leiden we Afghaanse militairen op.

 

Deze inzet heeft duidelijk succes. En dat moet ook, op middellange termijn moet het Afghaanse veiligheidsapparaat stevig genoeg op eigen benen staan om de veiligheid in het land te garanderen. De overgave van bevoegdheden van ISAF aan de Afghaanse autoriteiten is reeds volop aan de gang.

 

Hierin kadert trouwens ook de beslissing om in de loop van dit jaar onze beveiligingsopdracht op Kabul International Airport, KAIA, stop te zetten.

 

Daarnaast hebben zes Belgische F-16 jachtvliegtuigen sinds september 2008 Kandahar, in het zuiden van het land, als uitvalsbasis. Ze verzekeren luchtsteun aan de Belgische militairen, hun ISAF-bondgenoten en hun Afghaanse collega’s, over het gehele grondgebied. In een uitgestrekt land met moeilijk begaanbaar terrein is dergelijke luchtsteun een absolute must.

 

Ook hier bewijzen we dus ons nut omwille van onze technische superioriteit en kunde van onze piloten. Sinds hun aankomst hebben onze toestellen meer dan 11.000 uren gevlogen.

 

Indien nodig zijn onze piloten gemachtigd om hun wapens in te zetten. Alles wordt eraan gedaan om ongewenste schade, collateral damage te vermijden.  

 

Onze piloten hebben precieze instructies betreffende het gebruik van hun boordwapens, een “red card holder” waakt over de opdrachten die worden toegekend aan de Belgische toestellen. Dankzij de meest moderne observatie-apparatuur hebben we een perfect beeld van de gebeurtenissen op de grond, net als een audiovisueel contact met de grondtroepen die luchtsteun vragen. Tenslotte hanteren we precisiewapens, gps- en lasergestuurde bommen die blijk geven van een grote nauwkeurigheid. Dit alles met groot succes.

 

Elk gebruik van wapens wordt bovendien gefilmd en dit materiaal wordt achteraf geanalyseerd door de piloten en een juridisch adviseur ter plaatse.

 

De belangrijkste operatie van het moment komt in een slotfase. Ter uitvoering van de NAVO-top van Lissabon in 2010 zal ik, in volle overleg met onze partners van de NAVO, de Europese Unie en de VN, een kalender bepalen voor de aanwezigheid van de Belgische troepen in Afghanistan. We mogen in ieder geval het land niet halsoverkop verlaten, maar moeten erover waken dat de inspanningen van de afgelopen 10 jaar niet teniet gedaan worden.

 

We verlaten nu Afghanistan voor onze tweede belangrijkste inspanning de VN-operatie in Libanon. Sinds het conflict van 2006 hebben we een groot aantal militairen in het land.

 

Aanvankelijk concentreerden ze zich op de heropbouw van cruciale infrastructuur van algemeen nut, het voorzien van medische steun aan de bevolking en het onschadelijk maken van clustermunitie. De voorbije jaren is deze opdracht geëvolueerd naar het ontmijnen en markeren van de internationaal erkende grens tussen Libanon en Israël, de zogenaamde Blue Line. Momenteel hebben we een honderdtal militairen ter plaatse. De Verenigde Naties verwachten dat de Blue Line tegen eind oktober van dit jaar grotendeels gemarkeerd zal zijn. We bekijken de toekomstige opties, gaande van een eventuele terugtrekking van de Belgische ontmijningscapaciteit tot een mogelijke heroriëntering van de Belgische bijdrage naar een andere vorm van inzet. Ik heb hierover in januari gesprekken gehad met zowel mijn Libanese collega als met de leiding van de VN-opdracht.

 

Naast deze opdrachten onder NAVO- en VN-vlag spelen we ook een rol in EUNAVFOR ATALANTA, de operatie van de Europese Unie gericht tegen piraterij ter hoogte van de Hoorn van Afrika. Eind dit jaar neemt voor de derde maal een Belgisch fregat deel aan de opdracht. Concreet betekent dit de ontplooiing van ongeveer 165 militairen.

 

Onze vorige deelname ging niet onopgemerkt voorbij in de nationale en internationale pers. Een van de kapers van het Belgische baggerschip de “Pompei” werd opgepakt. De nieuwe Belgische wetgeving omtrent piraterij, die op aansturen van mezelf en mijn toenmalige justitie-collega Stefaan De Clerck was gestemd, maakte vervolging en veroordeling tot een straf van 10 jaren voor een Belgische rechtbank mogelijk. Als daar al eens schamper over wordt gedaan, kan ik u verzekeren dat dit niet zo is voor de bemanning die lange tijd geterroriseerd werd door deze piraten.

 

Op het Afrikaanse continent blijft Defensie een belangrijke rol spelen. Eerst en vooral in de Democratische Republiek Congo, waar de politieke situatie nog steeds woelig blijft.

 

We behouden er onze deelname aan de European Security Mission en hebben er een luchttransportcapaciteit, een C-130 transportvliegtuig, ten dienste staan van MONUSCO, de VN-operatie ter plaatse. Ondertussen heeft deze de kaap van de 2000 vlieguren voor MONUSCO overschreden.

 

Hiernaast hebben we een lange geschiedenis van bilaterale militaire samenwerking met Congo. We leiden Congolese bataljons op en brengen hen niet alleen zuiver militaire kennis bij, maar besteden ook aandacht aan de ethische aspecten van de job van militair.

 

Uiteraard staan we ook steeds klaar om Belgische onderdanen te evacueren indien de actualiteit dit zou vragen. De situatie wordt permanent opgevolgd, zo stonden onze militairen tijdens de woelige periode rond de verkiezingen klaar om te vertrekken wanneer de regering dit zou beslissen.

 

Ook met een aantal andere Afrikaanse landen hebben we militaire partnerschappen op poten gezet. Met Benin, Burundi en Oeganda. Onze aanwezigheid ter plaatse richt zich op het geven van opleidingen en het voorbereiden van de militairen op deelname aan vredesondersteunende operaties van de VN of de Afrikaanse Unie.

 

Naast een directe bijdrage leveren Belgische militairen dus ook een indirecte steun aan de belangrijkste vredesoperaties op het Afrikaanse continent.

 

Een ander deel van onze militairen vervult een permanentierol binnen de NAVO of EU. België draagt vanaf het eerste semester van dit jaar met 450 militairen bij aan de Europese Battle Group. In het kader van de snelle interventiemacht van de NAVO, de NATO Reaction Force, levert Defensie in 2012 zes F-16 jachtbommenwerpers en een mijnenjager.

 

Wanneer de NAVO of EU beslissen om zich militair te engageren in een conflict, is de kans dus reëel dat de eerste militaire aanwezigheid op het terrein zeer Belgisch getint is.

U merkt het, België lost de verwachtingen op internationaal vlak in.

 

Meer zelfs, de sterkte van de Belgische aanwezigheid in deze operaties is onze grote wil tot samenwerking met de bondgenoten, de flexibiliteit van onze militairen, hun uitrusting en opleiding.

 

Wat betreft de wil tot samenwerking heeft België steeds een pioniersrol gespeeld. Ons land ligt mede aan de basis van verschillende internationale samenwerkingsakkoorden.

 

Tijdens het Belgische Voorzitterschap van de Europese Unie in 2010 heb ik de impuls gegeven tot een nieuwe manier van samenwerken, gebaseerd op de principes van “Pooling & Sharing” van de middelen. Bij de NAVO bekend onder de naam “Smart Defence”.

 

Het zogenaamde Ghent-framework is een begrip geworden onder de Europese lidstaten. Meerdere concrete projecten zijn op poten gezet, waarin ons land vaak een voortrekkersrol speelt.

 

De financieel-economische context maakt dat Defensiebudgetten inkrimpen, niet alleen in België, maar ook bij onze bondgenoten.

 

Samenwerking is niet enkel de oplossing om deze besparingen door te komen, maar is een cruciale stap op de weg naar een geloofwaardig Europees defensie- en veiligheidsbeleid. Deze samenwerking zal zich verder moeten ontwikkelen, niet enkel op het terrein onder de militairen zelf, maar ook op het vlak van onderzoek naar nieuwe technologieën en aankoop van materieel.

 

De grote investeringsprojecten zullen in dit kader moeten ingeschreven worden. Zo ben ik ervan overtuigd dat de aankoop van een nieuw gevechtsvliegtuig, als vervanging voor de F-16, op een gegroepeerde wijze dient te gebeuren, en waarom niet met een aantal Europese landen die momenteel ook met F-16’s vliegen: Nederland, Denemarken,  Noorwegen?

 

Niet enkel tussen de Europese landen moet er nauwer worden samengewerkt. NAVO- en EU landen zijn vaak actief in dezelfde conflictgebieden. Ook binnen de NAVO is men zich bewust van de noodzaak om nieuwe synergiën aan te gaan.

 

Het is duidelijk, ook op internationaal vlak is de tendens: “meer doen met minder middelen”.

 

De tijd van de grote legers is voorbij. Een modern leger moet klaar zijn voor de dreigingen van deze tijd. Terrorisme, wapenhandel, piraterij, cyberterrorisme, verspreiding van massavernietigingswapens, om enkel de belangrijkste te noemen.

 

Deze dreigingen vereisen geen grote legers, wel professionele legers met goed opgeleid personeel dat over het beste materiaal beschikt. Een leger dat nauw samenwerkt, zowel op internationaal vlak met haar bondgenoten als op nationaal vlak met andere departementen als Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Dat is een leger dat klaar is voor de uitdagingen van de 21ste eeuw.

 

Een groot (of is het middelgroot) land in grote vredesoperaties!

 

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Pieter De Crem

Minister van Defensie

 

--- Enkel het gesproken woord telt ---


< Vorige bericht