Discours

16-09-2009

Conférence du soir “Return on investment” à l’Institut Royal Supérieur de Défense


 

 

Allocation de Ministre de la Défense Pieter De Crem

 

Ouverture de l'Année Académique IRSD

Return on investment, pour qui?

16 septembre 2009

 

 

 

 

De Amerikaanse autobouwer General Motors werd opgericht in 1897. ‘GM’ groeide sindsdien explosief en zou gedurende de hele twintigste eeuw de automarkt wereldwijd kenmerken, mee vorm geven en domineren. Zelfs twee Wereldoorlogen kregen het bedrijf niet klein, wel integendeel. GM leek onsterfelijk.

 

Enkele maanden geleden gebeurde plots het ondenkbare. GM vroeg Chapter 11, bescherming tegen zijn schuldeisers. Het kon zijn facturen niet meer betalen. Op 10 juli nam General Motors een nieuwe start, maar de meerderheidsaandeelhouder in de Verenigde Staten is nu de Amerikaanse overheid. Kwatongen beweren dat GM vanaf nu ‘Government Motors’ heet. General Motors telt wereldwijd meer dan 250.000 personeelsleden. Deze werknemers, waaronder meer dan 2500 ook hier in België bij Opel Antwerpen, zijn vandaag ongerust over hun toekomst. Zij betalen dus mee de prijs voor het niet voldoende of niet tijdig anticiperen op de wijzigende marktomstandigheden.

 

Hoe is het ooit zo ver kunnen komen? De oorzaken van de neergang van GM zijn al vele jaren gekend. Vooreerst, zat de hele automarkt opgezadeld met een immense overproductie. Ten tweede, zetten de klimaatsverandering en stijgende olieprijzen - en die hebben we als individu ook kunnen ondervinden - een wedloop in gang op zoek naar de properste en de zuinigste automodellen. GM bleef echter vooral gekend voor de olieverslindende ‘Hummer’, ook al produceerde het in Antwerpen ook de erg zuinige en bijzonder populaire Opel Astra.

 

Niet tijdig hervormen deed marktaandeel wegglijden als zand door onze vingers en de kredietcrisis bracht de neerwaartse spiraal in een stroomversnelling.

 

 

 

Waarom breng ik deze insteek? Omdat het aantoont dat elke organisatie, hoe groot en succesvol ook, nooit op zijn lauweren mag rusten. Stilstaan is achteruitgaan. We moeten telkens weer opnieuw de moed opbrengen om de organisatie tijdig aan te passen aan de vereisten van een steeds sneller veranderende wereld.

 

Ook op het vlak van nationale en internationale veiligheid kende de wereld de afgelopen jaren fundamentele verschuivingen en onverwachte evoluties.

 

Denk maar aan de Val van de Muur, net twintig jaar geleden. Denk aan de opkomst van meer diffuse bedreigingen zoals het terrorisme. Ik kan als politicus en departementsbeheerder van Defensie de nood aan veranderingen niet negeren.

 

Het is geenszins mijn bedoeling onnodig veel parallellen te trekken tussen GM en Defensie. Zo is het Belgische Leger niet failliet en zal het ook niet failliet gaan. Defensie komt zijn betalingsverplichtingen zoals dat een goede betaler behoort na, en dat zal zo blijven. Het is in de geschiedenis wel ooit anders geweest, maar daar zal ik uit welvoeglijkheid niets over zeggen. Maar de geschiedenis van GM is wel een krachtige waarschuwing dat elke organisatie elke dag weer zijn producten en diensten moet aanpassen aan de uitdagingen van de maatschappij en dat ze de toekomst moet voorbereiden zonder bang te zijn voor die toekomst.

 

Eén van de aanpassingen die in deze legislatuur werden doorgevoerd bij Defensie, was een verhoging van de deelname aan buitenlandse operaties met meer dan een derde. Op operaties wordt er binnen Defensie dus niet bespaard, wel integendeel. Voor de goede verstaanders, buitenlandse operaties zijn onze core business. Maar velen onder ons horen, lezen of stellen ongetwijfeld wel eens de vraag of dat allemaal wel nodig is. Waarom kosten voor operaties aangaan in een tijd van economische crisis, begrotingstekort en vergrijzing? Deze vraag verdient absoluut onze aandacht. Het is de vraag naar de ‘return on investment’. De vraag, die niet het onderwerp is van deze conferentie, wat het belastingsgeld van de individuele burger dat naar Defensie vloeit oplevert voor de belastingbetaler en of de balans goed zit.

 

 

La question du return on investment (le retour sur investissement)

 

Les questions du citoyen à propos du retour sur investissement généré par la Défense n’ont jamais, dans toute l’histoire de l’armée belge, été aussi brûlantes qu’aujourd’hui.

 

Les raisons de ces interrogations renouvelées concernant ‘return on investment’ se situent tant au niveau des investissements qu’au niveau des retours.

 

Investissements

En ce qui concerne les investissements, à l’instar des autres départements publics, la Défense s’est vue confrontée à la rareté des ressources publiques telle que nous n’en avons sans doute jamais connu par le passé.

 

Saviez-vous que le déficit de la sixième économie de la planète, la Californie, s’élève cette année à 19 milliards d’euros ? Le déficit belge est quant à lui estimé à 20 milliards d’euros. Faites vous-même la comparaison. Bien que la possibilité d’en arriver à des situations californiennes avec un taux de chômage qui monte en flèche, l’arrêt du payement des fonctionnaires et la libération prématurée de détenus, soit peu probable, cette comparaison permet d’illustrer clairement l’énorme défi auquel notre petit pays est confronté. Comme vous avez encore pu le lire dans la presse récente, nous avons vécu une période 2000- 2008 durant laquelle un faible taux d’intérêt et une croissance économique élevée auraient permis de continuer l’assainissement du budget. Nous aurions pu profiter de l’effet boule de neige inversé, en épargnant pour plus tard. Mais le gouvernement de l’époque n’y sont pas parvenus à cause du cocktail violet ( séduisant certes, mais à retardement) résultant dans une réduction d’impôts mais non dans une diminution des dépenses publiques, mais bien en augmentation.

 

La situation budgétaire devant laquelle nous nous trouvons est grave, mais elle n’est pas désespérée. Ce n’est pas la première fois que nous sommes obligés de faire face à une opération budgétaire de cette ampleur. Dans les années 80, l’endettement s’élevait à plus de 130% du P.I.B. (actuellement 94%), le déficit annuel était de 13% (actuellement la moitié) et l’inflation annuelle était de 14% (aujourd’hui nous connaissons une déflation).

 

En revanche, la situation est moins favorable dans d’autres domaines. Ainsi estime-t-on que l’économie belge pourrait connaître une croissance négative de l’ordre de 3,5%, ce qui est la moyenne européenne, mais signifie un record d’après-guerre.

 

Paradoxe

 

Si la Belgique est un pays riche, les pouvoirs publics n’en sont pas moins pauvres, tout particulièrement les pouvoirs publics fédéraux. Ce constat est désormais généralement admis même s’il paraît paradoxal. Et ce n’est pas le paradoxe.

 

L’histoire budgétaire de la Défense n’est d’ailleurs plus à un paradoxe près. Au temps de la Guerre froide, l’utilité de la Défense et les moyens budgétaires qui lui étaient accordés n’étaient pratiquement jamais remis en question. La chute du Mur de Berlin a déclenché un débat de société, également à propos de l’utilité de l’armée belge et l’importance des “dividendes de paix”. Les moyens précédemment consacrés à la Défense ont depuis lors – à juste titre – pu être investis dans des projets civils. Depuis cette chute du Mur de Berlin, l’armée belge a pour la première fois réellement pris part à des opérations internationales. Et voila le premier paradoxe – c’est donc précisément au moment où l’armée commence à être déployée dans des opérations que son budget est raboté. Je dirais: 'quel paradoxe.'

 

En écho à cette évolution budgétaire, les partisans d’une nouvelle extension de ces dividendes de paix font fréquemment allusion aux économies d’échelles qui devraient découler d’une collaboration plus étroite sur le plan européen et d’une spécialisation accrue des tâches. Et là apparaît le deuxième paradoxe.

 

Il est pour ainsi dire certain qu’une intensification de la collaboration européenne ne conduira pas à un allègement du budget national de la défense. Ainsi au Royaume-Uni, les exigences technologiques élevées du nouveau matériel militaire ont entraîné une hausse de 10% des coûts annuels d’équipement. Soit des coûts doublés en 7 ans. Des échanges de vues de ces dernières années, il ressort clairement qu’une politique européenne en matière d’investissements militaires s’inscrira dans la même ligne. Par ailleurs, je constate que les dépenses des Etats Unis en matière de Recherche & Technologie sont actuellement 6 fois supérieures à celles de l’UE. J’ai donc peu de doutes : une armée européenne ne pèsera pas moins sur les budgets nationaux, bien au contraire!

 

Au niveau européen l’idée se répand qu’une collaboration plus étroite incitera les pays ayant un budget inférieur à la moyenne à augmenter leurs dépenses. Je reste pourtant convaincu – encore un paradoxe – que dans les prochaines années, bon nombre de pays européens élaboreront leur budget en continuant à faire primer les dépenses sociales sur les dépenses militaires. Dans les circonstances actuelles les responsables politiques de nombreux pays européens ne réussiront pas à persuader leur opinion publique de choisir d’augmenter les dépenses pour la Défense au détriment de la SECU et spécifiquement des pensions. La Belgique ne sera pas une exception en la matière et la Défense sera partie intégrante de la politique générale, de l’ensemble de la société.

 

Return

 

Defensie kan en zal niet anders dan zich inschrijven in deze onafwendbare maatschappelijke evolutie. Op het vlak van de return, stel ik vast dat de resultaten die het werk van Defensie opleveren, steeds minder rechtstreeks voelbaar zijn voor de burger.

 

Ten eerste werd in 1992 op initiatief van toenmalig Minister van Landsverdediging Leo Delcroix de dienstplicht opgeschort en nadien opgeheven. Vandaag is er nog 1 militair per 285 inwoners, terwijl vroeger haast elk gezin vroeg of laat een soldaat onder de wapens had. Mede hierdoor was in brede lagen van de bevolking een bewustzijn van de rol van Defensie zichtbaar aanwezig. Ik ben een groot voorstander van de invoering van de vrijwillige legerdienst. Niet alleen krijgen jongeren die perfect geschikt zijn voor Defensie, maar vandaag uit de boot vallen omwille van bijvoorbeeld bepaalde diplomavereisten, dankzij de vrijwillige legerdienst een unieke kans op een carrière bij Defensie. Maar ook anderen vinden de weg. De vrijwillige legerdienst weekt ook bij vele burgers de herinnering los aan hun periode als dienstplichtige. Zo brengen we Defensie opnieuw wat dichter bij de mensen. De invoering van de vrijwillige legerdienst is na het onvoorstelbaar lange onderhandelen met collega’s van de regering voorzien voor eind dit jaar.

 

Ten tweede groeit de fysieke en daardoor ook mentale afstand tussen het leger als veiligheidsverstrekker enerzijds en de burger als veiligheidsontvanger anderzijds. In de middeleeuwen leefde iedereen binnen de burcht of binnen en rondom de wallen van de stad. Geleidelijk aan werden deze omgevormd tot ‘fortengordels’ rond hele regio’s. Vervolgens werden verdedigingslinies opgetrokken rond landen. In de gemondialiseerde wereld van vandaag heeft het aspect veiligheid zijn territoriale invulling bijna volledig verloren. Dit alles maakt dat de veiligheidsontvanger steeds minder rechtstreeks geconfronteerd wordt met resultaten van het werk van de veiligheidsverstrekker. Kortom, we zijn op een bijzonder korte periode van minder dan 20 jaar van absolute territorialiteit naar breedwaaïerige extraterritorialiteit geëvolueerd.

 

Het thema veiligheid is niet echt weg. Het komt in alle peilingen naar voor als één van de absolute politieke topprioriteiten voor de burger. ‘Meer militairen in operatie’ is daarom een even relevante slogan als ‘meer blauw op straat’

 

Het onafhankelijk onderzoeksbureau IPSOS Belgium kwam voor de zomer tot een aantal interessante vaststellingen in dat verband:

 

  • 83 % van de Belgen vindt dat België een leger nodig heeft.
  • 78 % heeft een goede indruk van Defensie. Defensie scoort daarmee beter dan de meeste andere federale diensten en komt daarmee als overheid op een vijfde plaats, na de Brandweer, het Rode Kruis, de gemeentelijke administraties en de Civiele Bescherming.
  • 75 % vindt dat Defensie het imago van België in het buitenland bevordert.
  • 84 % vindt dat operaties buiten Europa één van de taken van Defensie is. 77 % steunt de deelname van Belgische militairen aan de ISAF-operatie in Afghanistan.
  • 89 % is ervan overtuigd dat de Belgische Defensie bijdraagt tot stabiliteit, vrede en veiligheid.

en dan:

 

  • 62 % van de Belgen vindt wel dat Defensie het moet stellen zonder budgetverhoging. Van paradoxen gesproken.

 

 

Ik durf uit deze cijfers afleiden dat heel wat Belgen toch wel tevreden zijn over de huidige return on investment die het Belgische leger hen levert voor hun belastinggeld.

 

Dat wil evenwel niet zeggen dat Defensie op zijn lauweren mag rusten. Elke dag moet Defensie het maatschappelijk draagvlak verdienen en lang niet iedereen is overtuigd van het nut van Defensie. Slechts enkele jaren geleden nog dreigde Defensie het slachtoffer te worden van een rücksichtlos begrotingsbeleid van de federale overheid. De toenmalige minister van begroting – lid van een partij die nu niet tot de regering behoort – stelde toen voor om het personeelsbestand van het Belgische leger in een slag te halveren tot slechts 20.000 personeelsleden.

 

Laat het voor iedereen van meet af aan duidelijk zijn dat dit niet mijn politiek is. Een dergelijke aanpak is geen toekomstgericht Defensiebeleid, maar wel loutere afbraakpolitiek. Dat zal ik nooit toelaten. Ik ben een vriend van Defensie, maar wel een echte vriend die de nood aan besparingen niet loskoppelt van het maatschappelijk nut van Defensie.

 

Wie beweert een vriend van Defensie te zijn, moet ook de daad bij het woord voegen. Zo wordt Defensie niet vooruit geholpen door perslekken die zijn ingegeven door negativisme, revanchisme of politiek getouwtrek

 

Zo wordt Defensie ook niet vooruit geholpen door een Defensiepolitiek die het departement opzadelt met een imago van ‘werkgelegenheids-agentschap’ en de vraag welke man of vrouw op welke plaats om wat te doen, juist reflexmatig onder de mat schuift.

 

Zo wordt Defensie – ons departement – evenmin vooruitgeholpen door een corporatistische instelling van de machten, en van de wapens binnen die machten.

 

We kunnen het maatschappelijk draagvlak voor Defensie enkel verzekeren als we de moed hebben om de veranderingen door te voeren die er toe bijdragen dat het belastinggeld dat in Defensie en haar personeel geïnvesteerd wordt ook voldoende ‘return’ voor de burger blijft opleveren.

 

Démontrer le retour sur investissement généré par la Défense belge dans le monde d’aujourd’hui est une tâche complexe.

 

Nos opérations contribuent à la sécurité et au bien-être des citoyens qui vivent dans la zone d’opération. Les quelques exemples que je vais vous citer sont parfaitement éloquents :

 

Au Liban, le travail de nos démineurs a permis de sauver un nombre incalculable de vies humaines et de prémunir la population civile contre des mutilations affreuses par l’explosion de sous-munitions et autres engins explosifs. Plus de 13.800 engins ont pu être neutralisés grâce à leur intervention.

 

En Afghanistan plusieurs signes avant-coureurs laissent présager une évolution sociale positive. Ainsi, les élections se sont tenues le 20 août dernier sans que se produise le bain de sang annoncé par les opposants. La participation d’un grand nombre d’électeurs est un élément particulièrement prometteur pour crédibiliser le processus démocratique de ce pays. Grâce, entre autres, à l’action des militaires belges au sein de la force internationale en Afghanistan, aujourd’hui quelque 5 millions d’enfants afghans peuvent aller à l’école, alors qu’ils n’étaient que 700.000 sous le horrible régime des Talibans.

 

Cependant l’action de la Défense ne relève pas seulement du devoir moral d’aider les citoyens d’autres pays à construire un meilleur avenir; elle est aussi une question d’intérêt bien compris.

 

Nous ne voulons pas d’actes de terrorisme dans notre pays. Le 11 septembre 2001 a mis en évidence que, même à des milliers de kilomètres de chez nous, les groupements terroristes pouvaient représenter un danger considérable pour le monde occidental. En combattant les terroristes ainsi que leurs protecteurs en Afghanistan, nous leur enlevons une zone dans laquelle ils pouvaient s’entraîner librement, sans se faire repérer, aux techniques meurtrières. Nous leurs ôtons ainsi la possibilité de concevoir et préparer des projets meurtriers contre des citoyens innocents.

 

Nous ne voulons pas que nos jeunes soient empoisonnés par de l’héroïne provenant en majeure partie, comme vous le savez, d’Afghanistan. Les plus récentes constatations de ‘l’Office des Nations unies contre la drogue et le crime’ (United Nations Office on Drugs and Crime) font état d’un recul de la production d’opium au niveau mondial, grâce à une baisse de 22 % de la culture du pavot et de 10 % de la production d’opium en Afghanistan. D’ailleurs le nombre de provinces afghanes débarrassées de la culture du pavot est passé de 18 à 20. Les efforts consentis par l’FIAS commencent donc à porter leurs fruits, y compris dans ce domaine, et sont donc favorables à notre propre sécurité.

 

Nous voulons relancer notre économie. Saviez-vous qu’au niveau mondial, la Belgique se classe 17ième parmi les nations maritimes? 203 bâtiments représentant 11,5 millions de tonnes naviguent sous pavillon belge. Ces chiffres montrent aussi l’importance de ces acteurs pour l’économie de notre pays et donc également l’intérêt de la participation d’une frégate de notre Composante navale à l’opération ATALANTA (opération de l’Union Européenne) qui vise à protéger les navires contre des pirates somaliens.

 

Ces quelques exemples suffiront pour démontrer que les opérations sont la tâche essentielle de l’armée belge. Aujourd’hui une armée cantonnée exclusivement sur le territoire belge ne fournirait aucun apport substantiel à la sécurité du citoyen. Une armée engagée dans des opérations à l’étranger y contribue et constitue en outre un partenaire petit, certes, mais fiable pour les alliés et pour les organisations internationales, en échange de leur appui indéfectible à notre protection. Cette concentration sur ses ‘tâches essentielles’ a permis à la Défense de dégager davantage de moyens pour les opérations, tel que prévu dans l’Accord du gouvernement.

 

L'efficacité "pareto" est une belle illustration d’un jargon économique qui désigne un principe fort simple. Pour relancer l’efficacité, il faut concentrer les faibles moyens sur les services qui créent la plus-value la plus élevée. Les services de la Défense qui apportent un maximum de plus-value à la nation et à notre société sont les opérations pour la paix et la sécurité. Exécuter et appuyer les opérations à l’étranger sont, en effet, les tâches fondamentales de la Défense.

 

Permettez-moi, maintenant, d’énumérer certaines conditions importantes à remplir pour que ces opérations atteignent les objectifs fixés et contribuent effectivement à la sécurité des citoyens.

 

Tout d’abord, les opérations doivent être bien préparées et les militaires belges doivent pouvoir compter sur un équipement et un matériel fiables.

 

Une opération n’est jamais exempte de risque. Il en va de même pour les opérations que les médias qualifient « d’humanitaires ». Pour ses alliés la Belgique se veut un partenaire petit, mais fiable, ce qui signifie que la Défense belge doit aussi assumer une part équitable des risques (le risk sharing). Par conséquent il importe d’accorder la priorité à la protection et la sécurité du personnel. Jamais il n’y aura d’économie dans ce domaine.

 

En dépit de la situation budgétaire de la Défense, nous avons réussi à maintenir les efforts nécessaires pour faire face aux besoins qui découlent de la situation fluctuante sur le terrain. Quelques brefs exemples :

 

• Nous avons acquis des moyens de protection contre les engins explosifs improvisés (Improvised Explosive Devices);

 

• Nous utilisons les véhicules les plus modernes comme le Multi Purpose Protected Vehicle (MPPV), le Light Multirole Vehicle (LMV) et l’Armoured Infantry Vehicle (AIV), qui offrent une protection adéquate et sont par ailleurs équipés d’une capacité de ‘jamming’;

 

• Au Kosovo notre capacité ‘Crowd & Riot Control’ a été optimalisée, notamment en adaptant la tenue et l’équipement ;

 

• Au Liban les démineurs sont aujourd’hui équipés de lunettes de protection adaptées ;

 

• De nouvelles vestes pare-éclats modulaires ont été achetées;

 

• De nouvelles vestes pare-éclats modulaires ont été achetées;

 

• L’ « Operation Mentoring and Liaison Team » (OMLT) en Afghanistan est équipé de moyens de communication spécifiques.

 

 

A court et à moyen terme un certain nombre de programmes qui doivent renforcer la sécurité du personnel se préparent entre autres :

 

• Le programme « Belgian Soldier Transformation » (BEST), qui a pour but de renforcer la protection et l’efficacité du combattant individuel;

 

• La consolidation des M-frégates, moyens qui n’étaient pas prévus ;

 

• L’achat de tenues militaires adaptées à la guerre chimique, bactériologique, radiologique et nucléaire ;

 

• La levée d’une tranche optionnelle de Multi Purpose Protected Vehicles (MPPV) ;

 

• L’achat de simulateurs de conduite.

 

Outre ces investissements, une batterie d’autres mesures visent aussi à renforcer la sécurité du personnel :

 

• L’envoi de National Intelligence Cells;

 

• Les Reconnaissances et les Mission Reviews pour chaque Détachement;

 

• Des entraînements et instructions constamment adaptées aux évolutions incessantes de la situation opérationnelle.

 

Onze operaties moeten vervolgens ook gevoerd worden in overeenstemming met het internationale en nationale recht en met de lokale culturele realiteit. Een leger dat de rechtsregels of zijn mandaat vergeet, of een leger dat geen oog heeft voor lokale tradities en gevoeligheden, zal geen respect krijgen van de bevolking die woont waar men opereert. Zonder respect wint een troepenmacht nooit het vertrouwen van de lokale bevolking en kunnen de doelstellingen van de troepenmacht niet rekenen op een maatschappelijk draagvlak ter plaatse. In de voorbereiding van iedere militair gaat daarom veel aandacht naar “cultural awareness”, naar gedrags-, inzet-, en rechtsregels. Defensie heeft met de verhoging van de inzet in operaties, ook de terbeschikkingstelling van juridische adviseurs voor de diverse operaties opgedreven. Zij staan de ontplooide staven bij om hun moeilijke taken te vervullen in overeenstemming met het recht.

 

In mijn Politieke Oriëntatienota van juni 2008 heb ik het welzijn in operaties de centrale positie gegeven in het welzijnsbeleid van Defensie, zowel gericht op het deelnemende personeel aan operaties, als op hun familie. Psychosociale begeleiding is in deze context van vitaal belang voor het succesvol kunnen voeren van operaties.

 

Operaties voeren kost ook geld, de deelname aan operaties verhogen kost meer geld. De meerwaarde van Defensie situeert zich in de output, en niet in de input. In de return, en niet in de investment. In de operaties, en niet het spenderen van belastinggeld. Vorige week nog stond in de krant te lezen dat ‘Defensie ook dit jaar 100 miljoen te kort zal komen op haar begroting’. Dit is totaal uit de lucht gegrepen. Ondanks een verhoging van de inzet in operaties met ongeveer 35 %, slaagde Defensie erin dit steeds te realiseren binnen het toegewezen budget, via de nodige inspanningen om te komen tot de optimale aanwending van de middelen. Defensie betaalt dus zijn facturen wel degelijk en nog wel op tijd ook.

 

Dit vereiste van iedereen inspanningen die niet echt de media haalden, maar in tijden van crisis is dit een prestatie waar ieder personeelslid van Defensie fier op mag zijn. De werkingskosten werden optimaal gehouden en dat was niet evident.

 

Van bij mijn aantreden als Minister van Landsverdediging heb ik ook vastgesteld dat het gedeelte van het budget, bestemd voor personeelskosten, veel te hoog was en geen enkele ruimte liet om een actief beleid te voeren op het vlak van investeringen en de verhoging van de deelname aan operaties. Ik heb dus een reeks maatregelen getroffen om het personeelsbestand snel in te krimpen. De eerste resultaten zijn al zichtbaar, want op 20 maanden tijd werd het aantal personeelsleden met 6% verminderd, van 40.635 voltijdse equivalenten naar 38.182 vandaag. Dat cijfer zal vanaf begin volgend jaar stijgen tot 7%. Zo bereiken we de doelstelling van 37.725 personeelsleden maar liefst zes jaar eerder dan gepland door mijn voorganger, 2009 in plaats van 2015. Deze cijfers zijn voor mij geen doel op zich. Ik doe immers niet aan cijferfetisjisme. De factoren die aan de basis lagen van het welslagen van die operatie waren het overleg met de vakbonden, het feit dat er geen gedwongen ontslagen aan de orde waren en het feit dat de operatie geen kosten tot gevolg had voor de begroting van Defensie of van andere departementen. Deze inspanning zal verder worden gezet, zonder gedwongen ontslagen. Defensie telde ook te veel generaals in verhouding tot de grootte van het leger. Om de verhouding te corrigeren heb ik het aantal generaals met 20 % verminderd.

 

Het systeem van de Vrijwillige Onderbreking van de Prestties is hierbij een belangrijke hefboom gebleken. Ik zal in de toekomst maar in de eerste plaats nog dit jaar, ieder personeelslid dat in de voorwaarden is, de kans bieden gebruik te maken van deze succesvolle formule. Voor dit jaar zal ik de aanvraagperiode verlengen tot eind oktober en het aantal niet plafonneren.

 

Dankzij alle inspanningen bereiken we de afgelopen twee jaar een beter evenwicht tussen de verdeling van de kosten over personeel, werking en investeringen. Zo daalden de uitgaven voor personeel van 63 tot 58%.

 

Het infrastructuurplan wordt einde deze maand bekend gemaakt. Het moet in de eerste plaats uitvoering geven aan de –in vorige legislaturen- nog niet-uitgevoerde studie van de Generale Staf. Uiteraard moet het ook bijdragen tot het gezond maken van de Defensiebegroting die vanzelfsprekend kadert in de algemene uitgavenbegroting.

 

De inspanning die van Defensie gevraagd wordt, is niet min. In de nu op tafel liggende begrotingsvoorstellen wordt de gevraagde besparings-inspanning voor Defensie op 97 mio vastgelegd, zegge en schrijve bijna 4 miljard BEF. Dit is het loon en de vergoedingen van 2500 militairen op jaarbasis. Dat is ook de uitdaging waar we voor staan.

 

Dit houdt dus in dat we samen binnen Defensie zullen zoeken naar dit stuk verantwoordelijkheid dat we moeten nemen om een intern evenwicht in de begroting, met behoud van de militaire operaties in het buitenland te aanhouden.

 

De situatie kan ook op een andere manier naar voor worden gebracht, nl. waar anderen zullen beslissen wat er met ons budget gebeurt. Ik vrees dat dit niet een goede oplossing is.

 

Ik zeg u heel duidelijk, die oneer zullen we niet laten gebeuren. We staan er samen voor en moeten er samen door. Defensie zal zijn solidaire bijdrage leveren tot de algehele publieke begrotings-inspanningen.

 

Ik zal er dan ook op toezien dat er op een evenredige manier bij andere departementen begrotingsinspanningen worden gedaan. Ook hier geldt het principe van Burden sharing.

 

Maar ik verzeker u ook dat we voor dit jaar binnen ons budget zullen blijven.

 

La participation aux opérations est impossible sans personnel dynamique, motivé et entrainé. Un engagement croissant dans des opérations militaires implique certes la présence de personnel expérimenté, donc plus âgé, mais aussi et surtout de personnel jeune, plus apte à remplir certaines fonctions opérationnelles. Il a donc fallu réduire les effectifs tout en assurant le recrutement de jeunes. Là aussi, l’objectif est actuellement atteint, puisqu’en 2009 nous aurons recruté plus de 1.300 jeunes tout en réduisant sensiblement les effectifs globaux. Ce niveau de recrutement sera maintenu dans les années à venir.

 

Fin 2007, j’avais fait le constat de la nécessité de rajeunir les effectifs. Aujourd’hui la Défense est un employeur attractif. Plus de huit candidats se présentent pour chaque poste vacant. Cette attractivité ne s’explique pas uniquement par la crise économique, mais aussi par une modernisation des voies de recrutement. Ainsi, depuis le début de cette année les maisons de la Défense coûteuses et inefficaces ont fait place à des centres d’information installés au sein des casernes. 8 centres d’information seront actifs à partir du 1 octobre de cette année. Le dernier centre ouvrira ses portes le 1 janvier de l’année prochaine. En combinaison avec ces centres, des recruteurs spécialisés iront vers les jeunes, intéressés par une carrière militaire. Le passage d’un recrutement passif au recrutement actif.

 

Notre retour sur investissement pour le citoyen peut être amélioré par une approche interdépartementale et globale, dite “comprehensive approach”. Tout comme le mentionne l’Accord du gouvernement « Des instruments militaires seuls ne suffisent pas à assurer une paix durable ». C’est pourquoi un nombre croissant d’instruments civils sont engagés. A cette fin le Gouvernement continue à développer la capacité nécessaire. Nous ne voulons pas uniquement jouer un rôle curatif mais nous voulons aussi jouer un rôle préventif. Dans la vision du Gouvernement la Défense est donc un des piliers de la politique étrangère et de sécurité de notre pays. La collaboration interdépartementale revêt une importance cruciale, non seulement entre la Défense, les Affaires étrangères et la Coopération au développement mais aussi avec l’Intérieur et la Justice. Le temps de la diplomatie et des actions parallèles est définitivement révolu. L’extension des efforts déployés en matière de coopération au développement en Afghanistan illustre parfaitement la manière dont nous devons intégrer notre action dans une approche globale. Les actions militaires qui se déroulent en Afghanistan sont bien plus médiatisées que les efforts déployés sur le plan civil. Ce qui contribue à répandre l’idée que les pays qui participent à la FIAS (la Force Internationale d’Assistance à la Sécurité) ont la conviction que les problèmes de ce pays ne trouveront de solution que sur le plan militaire. Notez bien que j’applaudis chaudement toute intensification des efforts civils en Afghanistan. La FIAS peut accroître la sécurité, certes, mais une amélioration structurelle de la situation sécuritaire n’est possible que si l’Afghanistan se développe de manière suffisante.

 

 

Est-ce que l’Afghanistan sera le « matador » de l’OTAN ?

 

L’Afghanistan représente un immense défi pour la solidarité entre les membres de l’OTAN. Et selon le chef d’état-major de la FIAS, le général McChrystal, il faudra encore au moins 18 mois avant que la nouvelle stratégie ne porte ses fruits. Les alliés et l’opinion publique ont vraiment droit à un avancement considérable tenant compte de leurs efforts plus que considérables. Là aussi le degré d’attente sur ‘le return on investment’ joue.

 

En tout cas, on ne peut pas se permettre d’échouer en Afghanistan. Echouer aurait des conséquences désastreuses sur le plan régional mais aussi au niveau mondial. Sur le plan régional, un échec bouleversera sérieusement le fragile équilibre entre notamment le Pakistan, l’Iran et l’Inde. Sur le plan mondial, le terrorisme aura à nouveau le champ libre. Ou, pour utiliser une expression de l’ancien Secrétaire général de l’OTAN, Jaap De Hoop Scheffer : ‘Si nous n'allons pas à l'Afghanistan, c'est l'Afghanistan qui viendra à nous.’

 

Sur ma proposition, le gouvernement a d’ores et déjà décidé de prolonger la participation actuelle jusque fin 2010. Avec un engagement d’un peu moins de 600 personnes, notre pays contribue de façon proportionnelle aux efforts en Afghanistan.

 

Onze return on investment wordt ook verhoogd door internationale, transatlantische en Europese solidariteit.

 

Als multilaterale organisatie met de hoogste legitimiteit moeten de Verenigde Naties de hoofdrol behouden met betrekking tot internationale veiligheidsvraagstukken. Defensie zal daarom ondermeer solidair blijven bijdragen tot vredesondersteunende operaties die geleid worden door de VN. De VN heeft de wereld reeds ongelooflijk veel diensten bewezen en we moeten hen blijven steunen in hun werk aan een betere toekomst voor iedereen.

 

Het transatlantische bondgenootschap blijft een strategische prioriteit voor België. Klaar zijn om te opereren op gestandaardiseerde manier en met een gemeenschappelijke visie en loyaliteit biedt een enorme veiligheidsgarantie aan ieder lid van de NAVO.

 

Russisch President Medvedev noemde de NAVO kort geleden nog een ‘anachronisme’.

 

Nochtans zal er volgend jaar een nieuw strategisch concept worden besproken. Een groep experten is begonnen met het formuleren van ideeën. Ook hier ligt de weg bezaaid met cruciale kwesties : Er dient een evenwicht te worden gevonden tussen hetgeen door artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag is bepaald en hetgeen daarin niet is bepaald; Moeten er, in het kader van een allesomvattende aanpak of “comprehensive approach”, civiele capaciteiten worden ontwikkeld of moet het civiele aspect worden overgelaten aan andere internationale organisaties, en wat met de rol van de tactische en strategische nucleaire wapens? De rol van nieuwkomer Frankrijk zal vast en zeker nader worden omschreven. Ik ben een vurig pleitbezorger van de « TERUGKEER » in hoofdletters van onze Franse vrienden binnen de NAVO.

 

De Europese integratie heeft ons allen economische ontwikkeling, stabiliteit en vrede gebracht. De Regering is ook een sterke voorstander van een verregaande integratie inzake Europese Defensie. Defensie zal actief meewerken aan de vormgeving van een sterk Europa in dit domein en beoogt hiermee gelijktijdig de samenwerking binnen NAVO te verstevigen. Van concurrentie tussen EU en NAVO zal geen sprake zijn. Dit betekent ook dat België ernaar zal streven om deel uit te maken van de Europese Permanent Gestructureerde Samenwerking. Voor die capaciteiten waarvan de hoge kosten gekoppeld aan ontwikkeling, verwerving en tewerkstelling niet betaalbaar zijn voor individuele staten alleen, ben ik voorstander van een verregaande integratie. Verder zal Defensie opportuniteiten blijven zoeken waar voor ondersteunende activiteiten samenwerking met partnerlanden voor een grotere efficiëntie en kostenbesparing kan zorgen.

 

De ratificatie van het Verdrag van Lissabon, en dus ook de invoering van de Permanent Gestructureerde Samenwerking op het vlak van Defensie, staat of valt met het nieuwe referendum in Ierland. De kredietcrisis heeft evenwel ook een positief gevolg. Sindsdien heeft een meerderheid van de Ieren het belang van de EU voor het behoud van hun welvaart meer aangevoeld. De laatste peilingen geven het ‘pro’-kamp nu een comfortabelere voorsprong.

 

België zit binnenkort in de cockpit van Europa. Tijdens de tweede helft van 2010 zit België immers de Europese Raad voor. De voorbereidingen van ons voorzitterschap zijn volop aan de gang. Defensie heeft reeds vorig jaar een task force samengesteld die zich niet alleen over de organisatorische aspecten buigt, maar ook het inhoudelijk werk voorbereidt in samenspraak met de andere Federale Overheidsdiensten.

 

Tijdens het Belgisch voorzitterschap zal ik ook trachten de geest van de ‘Europese Defensie Gemeenschap’ nieuw leven in te blazen. De Europese Defensie Gemeenschap was een verdrag dat in 1952 werd ondertekend door Frankrijk, West-Duitsland, Nederland, België, Luxemburg en Italië. Het voorzag in niet minder dan de oprichting van een Europees leger, in 1952! Het verdrag is echter nooit van kracht geworden doordat het Franse parlement het op 29 en 30 augustus 1954 afwees met slechts 319 tegen 264 stemmen. Zestig jaar geleden waren we slechts 30 stemmen verwijderd van de oprichting van een Europees Leger.

 

Ik beweer hier vandaag niet dat de oprichting van een Europees leger haalbaar zou zijn op de korte of middellange termijn. Maar ik zal er wel alles aan doen om de ‘spirit’ van toen te doen herleven, en zo nieuwe stappen vooruit te zetten richting meer Europese militaire samenwerking.

 

Conclusion

Lors d’une réunion l’ancien premier ministre belge Jean-Luc Dehaene fit un jour remarquer que les chefs d’état et de gouvernement de l’UE avaient du mal à s’entendre sur les objectifs précis de l’Union, mais également que cela n’avait pas empêché l’Union européenne de devenir une des institutions les plus réussie du vingtième siècle. Par contre tous les dirigeants se sont parfaitement accordés sur la direction à suivre et sur les principes et les valeurs que l’UE devait défendre.

 

Il en va de même pour la Défense. Lorsque la bonne direction est tracée, l’essentiel est de continuer à marcher, quels que soient les écueils.

 

Une organisation qui ne trouve plus la force d’évoluer, de s’adapter à de nouveaux défis, perd aussi la foi en l’avenir.

Tant que nous aurons le courage de changer ce qu’il faut changer, soyez sûr que la Défense ne sera pas un département du passé, mais un département de l’avenir.

 

Et les citoyens aussi continueront à avoir foi en un retour sur investissement de la Défense.

 

Je vous remercie

 

 

 

 

 


< Message précédent